Broeders en zusters, Vandaag horen we twee bijbelperikopen, het epistel en het evangelie, waarin een type van de biecht beschreven is. Een voorafbeelding van de biecht in al zijn aspecten, waardoor dit sacrament verduidelijkt wordt.
Allereerst is er de melaatse. De melaatse ging onverschrokken naar Jezus toe. De mensen, de Joden dachten daar nogal wat van. Een melaatse was een uitgestotene en moest afstand houden van de mensen. Maar toen die melaatse Jezus zag verdween alle menselijk opzicht, hij trok zich niets van de mensen aan omdat hij zich wat van Jezus aantrok. En Jezus duwde de melaatse niet van zich af, maar raakte de melaatse aan. Er was toen geen biechthokje waar je neer kon knielen, maar de melaatse knielde wel uit respect voor Hem neer. En hij sprak Jezus ook heel respectvol en vol vertrouwen aan. Hij zei: “Heer, zo Gij wilt, kunt Gij mij reinigen”. En Hij Jezus ging er in mee en zei: “Ik wil”. En terstond, onmiddellijk was de melaatse van zijn melaatsheid verlost. Zoals ook de priester die absolutie geeft en waarbij de zonden terstond vergeven zijn.
Jezus schakelt de priesters niet uit, integendeel hij betrekt ze erbij. In de Bergrede zou Hij zeggen dat Hij niet gekomen was om wetten op te heffen maar te vervolmaken. De wet die toen bij de reiniging van een melaatse hoorde was een wet van Mozes. Namelijk dat priesters officieel moesten vaststellen dat de melaatsheid echt verdwenen was en iemand genezen was. Dus wat later bij de biecht zou worden: onderzoek doen of de zonden goed beleden zijn en het berouw oprecht is. Daarom kan er in de biecht ook een oefening van berouw gebeden worden waarmee de biechteling beleid dat hij spijt heeft van zijn zonden. Jezus schakelt de priesters in bij zijn werk. “Ga u aan de priesters laten zien en draag het offer op”, zegt Hij tegen de melaatse. Hoewel melaatsheid niet altijd als een directe straf voor een specifieke zonde werd gezien, werd de melaatsheid destijds bij de Joden wel vaak sterk geassocieerd met zonde en een verbroken relatie met God en de mensen. Een schuldoffer was bedoeld om de relatie met God en mensen plechtig te herstellen. En soort penitentie, een offer, een daad van verzoening na de belijdenis van de melaatse en de genezing door Jezus.
In zijn brief stelt Paulus scherp vast wat nu wel echt zonde is. De zonde betreft niet direct het uiterlijk, zoals dat van een melaatse, maar wel het innerlijk en het gedrag van de mens. Hij schets in dit stukje wel meteen datgene wat het moeilijkst is. Niet de onderlinge liefde die christenen elkaar betonen, maar het gedrag van Christenen tegenover vijanden. De algemene houding dient te zijn, bedacht te zijn op het goede en met iedereen in vrede te leven. Gelukkig beseft Paulus ook dat je niet altijd in vrede kunt leven met een ander die een verstokte egoïst is of op kwaad uit is, of iemand is die jou wil benadelen omdat hij zichzelf wil bevoordelen. Bijvoorbeeld: iemand denkt dat hij de allerbelangrijkste weggebruiker is en dat de rest zich maar aan hem moet aanpassen. Hij snijdt jou af en steekt nog een middelvinger op ook. Je trots is gekwetst. Je bent vernederd. Je bent onrechtvaardig behandeld. Paulus zegt in zo’n voorbeeld, een voorbeeld van benadeling zoals er zovelen zijn in het dagelijks leven, oefen zelf geen wraak uit. Want jou eerste zorg is nu hoe jij zelf om gaat met een kwaadaardige situatie waarmee je geconfronteerd wordt. Vergeldt geen kwaad met kwaad, zegt Paulus. Ga niet ook afsnijden. Ga niet vloeken. Al kan je niet in vrede met zo’n afsnijdende automobilist zijn omdat hij nog een middelvinger opsteekt nadat hijzelf een fout maakte en jij benadeeld bent, je kunt wel de vrede voor jezelf bewaren. Terug afsnijden of vloeken, dat belooft wel eerherstel voor jou, dat belooft wel rust, maar dat geeft die niet. De innerlijke vrede is weg. Waarom? Omdat jij op de plaats van God bent gaan zitten. Zelf veroordelen, zelf corrigerende maatregelen treffen en niet, zoals Paulus ons vandaag leert, de vergelding aan God overlaten. Hier word je zelf niet beter van, de vijandige naaste schiet er niets mee op en ook aan God wordt geen eer gebracht. Dat wringt, maakt onrustig en als dit je standaard reactie blijft in deze situaties zul je nooit de innerlijke rust vinden. Pas als je naar het innerlijke signaal van onrust luistert, dan is dat het begin van een oplossing voor dergelijke situaties. Overwin dit kwade met het goede zegt Paulus.
Hoe overwin je nu het kwade met het goede? Niet door het feit te ontkennen dat die ander allerlei wetten van omgang overtreedt. Zo van goedpraten: misschien zag die man die afsneed dat niet. Misschien was hij ook erg geschrokken. Als iemand roekeloos rijdt, jou snijdt en een middelvinger opsteekt, dan is dat op zich fout gedrag.
Het kwade overwin je ook niet met het goede als je passief blijft hangen in de zelfmedelijdende gedachte hoe jijzelf toch benadeeld bent. Benadeeld ben je wel, maar hoe ga je daar nu christelijk mee om. Hoe overwin je nu het kwade met het goede. Allereerst objectief constateren en wellicht een aantal keer hardop zeggen: die ander is gestoord bezig. En ten tweede: jij wordt hiermee geconfronteerd en moet een houding daar tegenover stellen. Jij wordt beproefd. De christelijke omgang is dan voor jou toch meer een gelegenheid dat dat tekort aan eer en respect dat je krijgt van degene die afsnijdt, dat je dat draagt! Maar willens en wetens dragen, bewust zijn die ander is fout en ik compenseer die fout door dat te dragen. En vooral ook daarmee eerherstel brengen aan God voor de geschonden eer aan God door degene die afsneed. En tot God bidden: “God geef die automobilist inzicht en spijt over zijn verkeerde daden en mij de genade om er een goede houding tegenover te stellen”.
Het is goed op een later tijdstip dergelijke voorvallen te overdenken en voor de geest te halen: hoe reageerde je en wat ging er wel of niet goed en zo regelmatig de geestelijke oefening hiervoor doen. En als je wraak genomen hebt, of gevloekt hebt, dan dat in de biecht of bij het confiteor in de Mis belijden. Want alleen God kan je van kwaadheid en wraakgevoelens genezen, net als hij van melaatsheid kan genezen. Amen.